SDE++-technieken 2026

Van zon op een bedrijfsdak tot CO₂-opslag onder de Noordzee: de SDE++ bestrijkt ruim honderd technieken voor duurzame energie en CO₂-reductie. Op deze pagina leest u welke technieken in de ronde van 22 september tot en met 22 oktober 2026 open staan, wat er nieuw is, en waar de spanning per categorie zit.

Hoogspanningsmasten in een open landschap bij zonsondergang

Eén regeling, vijf hoofdcategorieën

De SDE++ vergoedt het verschil tussen de kostprijs van een duurzame techniek en de marktprijs van het product dat zij oplevert: elektriciteit, warmte, gas, waterstof of vermeden CO₂. Dat verschil heet de onrendabele top. Hoe groter die top, hoe meer subsidie per eenheid; hoe kleiner, hoe lager de positie in de rangschikking. Daardoor concurreren een windpark, een industriële warmtepomp en een CCS-installatie binnen dezelfde regeling, maar niet altijd om hetzelfde budget.

Sinds 2023 zijn drie hekjes ingericht om technieken die op korte termijn duurder zijn, maar wel nodig blijven voor de energietransitie, een eigen plek te geven. Elk hekje reserveert € 750 miljoen: één voor lagetemperatuurwarmte (LT, < 100 °C), één voor hogetemperatuurwarmte (HT, ≥ 100 °C) en één voor moleculen: biogas, biomethaan en groene waterstof. Daarbuiten dingt de rest mee om het algemene budget. Voor 2026 is dat geheel opgeteld € 8 miljard.

Hoe de fasen, het basisbedrag en het correctiebedrag in elkaar steken, leest u op de pagina SDE++-uitleg. Een directe doorrekening van uw situatie krijgt u via Berekenen.

Wie doet wat: PBL, RVO en het ministerie

Achter de SDE++ zitten drie organisaties die elk een eigen rol vervullen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) stelt jaarlijks, in samenwerking met TNO en DNV, de basisbedragen, vollasturen en risicoclassificaties per techniek vast. Het PBL berekent de onrendabele top, adviseert welke categorieën in de regeling thuishoren, en publiceert dat in het Eindadvies. Voor de ronde van 2026 verscheen dat eindadvies op 13 februari 2026.

Het ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) neemt het PBL-advies als basis, maar stelt de definitieve parameters, fasebedragen en het budget vast. Het ministerie kan technieken die PBL doorrekent toch niet openstellen, denk aan warmte uit ijzerpoeder, dit jaar wel doorgerekend maar niet opengenomen.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regeling uit. RVO opent de loketten, beoordeelt aanvragen, rangschikt ze per dag op subsidie-intensiteit zodra het budget overtekend raakt, en geeft uiteindelijk de beschikking af. Daarna blijft RVO uw aanspreekpunt voor voortgangsrapportages, realisatietermijnen en uiteindelijk de uitbetaling. Wij van EIFFEL Subsidies vervullen geen rol in deze keten, wij staan náást u als aanvrager: rekenen door wat een aanvraag oplevert, bepalen de juiste fase, en bewaken de documenten die RVO van u verlangt.

Hernieuwbare elektriciteit

Zon, wind en water leveren elektriciteit, en daarvoor zijn de spelregels de afgelopen jaren ingrijpend veranderd. Sinds oktober 2025 wordt afgerekend op kwartierprijzen, en bij negatieve stroomprijzen wordt geen subsidie meer uitgekeerd. PBL verwacht bovendien dat 2026 de laatste reguliere SDE++-ronde is voor nieuwe zon- en windprojecten: vanaf 2027 nemen tweerichtingscontracten (Contracts for Difference) die rol over. Voor wie nu nog kan aanvragen, is de fasekeuze daarmee scherper dan ooit.

Zon-PV

Vanaf 15 kWp piekvermogen en een grootverbruikersaansluiting komt u in aanmerking. De SDE++ vergoedt sinds 2024 uitsluitend de netlevering; eigen verbruik valt buiten de regeling. Voor 2026 geldt bovendien een maximale CO₂-voetafdruk van 550 kg CO₂/kWp voor de gebruikte panelen, en is voor installaties < 1 MWp een haalbaarheidsstudie verplicht. Nieuw dit jaar is de categorie zon-PV langs infrastructuur, denk aan geluidsschermen en wegverhardingen, en formele toelating van zon op zee binnen de categorie drijvend zon.

Voor wie in een congestiegebied zit, zijn de spelregels rond de transportindicatie van de netbeheerder vaak doorslaggevend. Geen positieve indicatie, geen ontvankelijke aanvraag.

Wind

Wind op land komt in drie smaken: regulier, met hoogtebeperking en op een waterkering. De gemeente waarin u staat bepaalt, via de Windviewer van RVO, uw windklasse, en daarmee de vollasturen en het basisbedrag. Repowering, het vervangen van oudere turbines door modernere modellen op dezelfde locatie, is in 2026 versoepeld, wat ook voor bestaande parken nieuwe kansen opent. Wind op zee wordt buiten de SDE++ om via tenders verdeeld en valt hier dus niet onder.

Hernieuwbare warmte

Warmte uit een hernieuwbare bron, biomassa, aardwarmte of de zon, al dan niet gecombineerd met elektriciteitsopwekking via een WKK. PBL classificeert geothermie en biomassa als hoog risico, wat zich vertaalt in een renteopslag van 1,5% in het basisbedrag. Daarmee krijgt u een hogere subsidie, maar de regeling vereist in ruil ook stevigere onderbouwing van uw businesscase.

Geothermie

Aardwarmte uit ondiepe (500 – 1.500 m), diepe (1.500 – 4.000 m) of ultradiepe (≥ 4.000 m) lagen. Geothermie valt onder de Mijnbouwwet, met toezicht door SodM en een verplichte DoubletCalc-berekening. Het vergunningstraject, van seismisch onderzoek tot opsporings- en winningsvergunning, duurt doorgaans meerdere jaren. De RNES-garantieregeling tegen misboring is sinds 2022 gesloten, waardoor het financiële risico nu volledig bij de initiatiefnemer ligt.

Zonthermie

Collectieve zonthermie vanaf 140 kWth, eventueel met seizoensopslag. In de praktijk vrijwel altijd gekoppeld aan een warmtenet, waarvoor sinds 2025 een ondertekende afnemersverklaring verplicht is. Een kleine categorie, met name in beeld bij warmte-coöperaties en collectieve woningbouwprojecten.

Biomassa

Biomassa kan op vier manieren worden ingezet: allesvergisting, monovergisting van mest, slibvergisting bij een RWZI of directe verbranding in een ketel of WKK. Voor 2026 is nieuw dat levensduurverlenging van bestaande B-houtketels ≥ 5 MW voor industriële warmte weer subsidiabel is, een belangrijke vervolgstap voor exploitanten die anders voor een dure vervanging zouden staan. Alle biomassa-installaties moeten voldoen aan de duurzaamheidseisen uit RED III, met een jaarlijkse conformiteitsverklaring. Houtige biomassa voor lagetemperatuurwarmte (< 100 °C) is sinds 2021 niet meer subsidiabel.

Hernieuwbaar gas

Biomethaan dat op het aardgasnet wordt ingevoed en daar fossiel aardgas vervangt. Hernieuwbaar gas valt onder het moleculen-hekje van € 750 miljoen, waar het concurreert met groene waterstof. Hoe fel die concurrentie kan zijn, bleek vorig jaar: de ronde van 2025 was op dit hekje 8,4 keer overtekend.

De regeling onderscheidt twee productieroutes. Vergisting: allesvergisting van organische reststromen en GFT, monovergisting van mest in vijf vermogensklassen (van ≤ 110 kW tot > 1.500 kW), mesthubs als gecentraliseerde variant, en slibvergisting bij een RWZI. Vergassing: droge biomassa wordt thermochemisch omgezet tot syngas en biomethaan. Alleen gas dat fysiek op het aardgasnet wordt ingevoed kwalificeert; bio-LNG uit monovergisting van mest is in 2026 niet meer opengesteld.

CO₂-arme warmte

Warmte uit elektriciteit of externe thermische bronnen, zonder biomassa of aardwarmte. Hier loopt de scheidslijn tussen LT-warmte (< 100 °C, ruwweg de gebouwde omgeving en glastuinbouw) en HT-warmte (≥ 100 °C, vooral industriële processen). Elk hekje krijgt € 750 miljoen, en de concurrentie binnen elk hekje verschilt sterk per techniek. Voor alle warmtepompen geldt sinds 2026 de verplichting van een halogeenvrij koudemiddel.

Aquathermie

Drie smaken: TEO (uit oppervlaktewater), TEA (uit RWZI-effluent) en TED (uit drinkwater). Minimaal 0,5 MWth thermisch vermogen en een prestatiecoëfficiënt (COP) van ten minste 2,5. Voor 2026 stelt PBL een nieuwe indeling voor om de afgrenzing tussen de drie aquathermievarianten te verhelderen, in de praktijk lopen ze in een hybride project soms door elkaar heen.

Warmtepompen

De lucht-water-warmtepomp valt in het LT-hekje en levert warmte voor woningen of gebouwen. Industriële warmtepompen ≥ 500 kWth zitten in het HT-hekje en bedienen processen boven 100 °C, in varianten gesloten, open of procesgeïntegreerd. Voor 2026 zijn er nieuwe categorieën voor hoge-temperatuur en procesgeïntegreerde toepassingen toegevoegd.

Overige elektrische warmte

De elektrische boiler industrie (3.000 – 8.000 vollasturen) wordt vaak hybride ingezet met een gasketel: stroom als die goedkoop is, gas als terugvaloptie. PVT collectief combineert zon-PV en zonthermie op één paneel; primair LT.

Restwarmte

Industriële restwarmte (hoge, midden en lage temperatuur) en warmte uit datacentra worden steeds vaker richting een warmtenet geleid. Voor restwarmte geldt wel een strikte additionaliteitseis: alleen warmte die anders verloren zou gaan komt in aanmerking, en sinds 2025 is een ondertekende afnemersverklaring verplicht. Geen verklaring, geen aanvraag.

CO₂-arme productie

De zwaarste categorie qua investeringen, en de grootste budgetclaimer van de regeling. CCS, CCU, groene waterstof en Direct Air Capture (DAC) staan hier naast elkaar, vaak met subsidiebedragen die voorbij de € 100 miljoen lopen voor één project. De ETS-prijs speelt hier een grote rol: hoe hoger de CO₂-prijs op de markt, hoe lager de SDE++-uitkering, want de inkomsten uit vermeden CO₂ tellen mee in het correctiebedrag.

CCS: CO₂-afvang en -opslag

CCS is in 2026 in vier varianten beschikbaar: bij industriële procesemissies (waaronder Porthos-gekoppelde projecten in de Rotterdamse haven), bij bestaande SMR-installaties voor waterstofproductie (nieuw), in combinatie met opslag in het buitenland (nieuw, basisbedragen volgen) en gekoppeld aan Direct Air Capture (nieuw). De afvang gebeurt bij de bron, de opslag in lege gasvelden onder de Noordzee. Voor Porthos staat de eerste injectie gepland voor 2026; voor Aramis een paar jaar later.

CCU: CO₂-gebruik

Afgevangen CO₂ wordt geleverd aan de glastuinbouw als groeimedium voor planten. De Nederlandse kassen vragen jaarlijks 500 tot 600 kton CO₂, een vraag die nu nog deels uit fossiele bronnen wordt voorzien, maar steeds vaker uit afvang bij industrie of WKK.

Waterstof

Groene waterstof uit elektrolyse, vanaf 0,5 MW, in PEM-, alkaline- of SOEC-techniek. Netgekoppelde elektrolysers leveren goedkope stroom uit duurzame bronnen, met als prijs dat u jaarlijks moet aantonen dat uw waterstof ≥ 70% CO₂-reduceert ten opzichte van het fossiele alternatief, de RFNBO-eis uit RED III. Direct-lijn-varianten omzeilen dat door rechtstreeks aan een wind- of zonpark te hangen, maar betalen dat met een lager basisbedrag. Waterstof concurreert binnen het moleculen-hekje met biomethaan.

Direct Air Capture (DAC)

CO₂ uit de buitenlucht halen, in solid-sorbent of liquid-solvent technologie. Een techniek die nog in de opschalingsfase zit, met kostprijzen tussen € 400 en € 1.000 per ton CO₂. In 2026 uitgebreid in combinatie met CCS en CO₂-infrastructuur: DAC-en-opslag samen krijgen één gecombineerde categorie, wat de businesscase voor pioniers vereenvoudigt.

Wat is er nieuw in 2026

Elk jaar past het ministerie de openstelling aan op basis van het PBL-advies en signalen uit de markt. Voor 2026 zijn de belangrijkste toevoegingen:

Welke categorieën vervallen

Een handvol categorieën uit eerdere jaren keert in 2026 niet terug, doorgaans omdat er geen of nauwelijks aanvragen binnenkwamen of omdat het ministerie de techniek voorlopig op de groslijst parkeert. Het gaat onder meer om zon-PV zonvolgend ≥ 20 MWp, zon-PV op water ≥ 1 MWp, zon-PVT in de gebouwde omgeving, waterkracht met zeer beperkte valhoogte, compostering, diverse biobrandstofcategorieën, bio-LNG uit monovergisting van mest, warmte uit ijzerpoeder (door PBL doorgerekend maar door het ministerie niet opengesteld wegens risico op dubbeltelling) en elektrificatie van offshore productieplatforms. Marktpartijen die menen dat een categorie alsnog rendabel kan worden, kunnen zich via de marktconsultatie melden voor de volgende doorrekening.

Welke techniek past bij uw project?

Niet alle technieken concurreren op dezelfde voorwaarden. Of u nu een industriële restwarmte-koppeling overweegt, een mesthub opzet of voor het eerst denkt aan CCS: de combinatie van hekje, subsidie-intensiteit en fasekeuze bepaalt of uw aanvraag wordt gehonoreerd. Daar komt techniek-specifieke voorbereiding bij: een positieve transportindicatie van de netbeheerder, een DoubletCalc-berekening voor geothermie, een afnemersverklaring voor warmtenetlevering, of RED III-conformiteit voor biomassa.

EIFFEL Subsidies adviseert ruim 30 jaar over de SDE++ en haar voorlopers, in alle vijf de hoofdcategorieën. Wij rekenen uw businesscase door, bepalen het optimale aanvraagbedrag en de juiste fase, en begeleiden u door het volledige aanvraagproces. Een directe indicatie krijgt u via Berekenen; voor een eerste vrijblijvend gesprek plant u online een afspraak. Het eerste gesprek is kosteloos.

Hulp nodig bij uw SDE++-aanvraag?

Het eerste gesprek is vrijblijvend en kosteloos.

Afspraak maken